• Verschijning boekje Henri van Hoof
    dinsdag 20 augustus 1940
    Lees verder >>

Stichting Grebbelinie maakt bezwaar tegen afwijzing

Door Bert Rietberg, woensdag 30 april 2008 17:24
Categorie: Stichting Grebbelinie

Minister Plasterk heeft de aanvragen van de Stichting Grebbelinie om de linie aan te wijzen als rijksmonument afgewezen. Dit naar aanleiding van een tijdelijke beleidsregel uit 2007 waarin staat dat er geen aanwijzing plaatsvindt als het object vóór 1940 is vervaardigd.

De Stichting Grebbelinie heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. Het bezwaar richt zich allereerst en vooral op de gronden waarop de minister gemeend heeft de aanvraag te moeten afwijzen. De afwijzing heeft namelijk alles te maken met een datum (23 juli 2004) die volgens de minister overschreden is, waardoor de huidige beleidsregels gelden. Deze gedachtengang is te lezen op de site van de RACM, een samenvoeging van het RDMZ en de ROB (Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek). De Stichting Grebbelinie verstuurde de eerste (incomplete) aanvragen echter al in 2003 aan de RDMZ (Rijksdienst voor Monumentenzorg) en de tweede serie ruim vóór 23 juli 2004, namelijk 24 mei 2004. Een dag later kwamen de aanvragen aan. Dit is na te lezen op de site van de Raad voor Cultuur.

Voorwerk aan de RoffelaarAangezien de RDMZ veel tijd nodig had voor deze omvangrijke aanvraag overschreed deze Rijksdienst wél de datum 23 juli en verstuurde de aanvragen pas in september 2004 naar de Raad voor Cultuur. Waar mogelijk hielp de Stichting in de persoon van Anne Visser in de tussenliggende periode de RDMZ door gegevens te verstrekken waar dat wenselijk werd geacht, zodat de Raad voor Cultuur een advies kon uitbrengen. Deze adviesraad ging net als de RDMZ en de Stichting Grebbelinie uit van de datum van inzending, bestudeerde de aanvragen en kwam met een helder en vooral positief advies. Ook alle betrokken gemeenten, de beheerders(particulier/Staatsbosbeheer), het Waterschap de provincies Gelderland en Utrecht werd om advies gevraagd, hetgeen uitsluitend positieve adviezen opleverde.

De directeur van de RDMZ verzekerde de Stichting Grebbelinie en de tevens aanwezige Stichting Menno van Coehoorn dat de benodigde tijd voor de verwerking van de aanvragen een eventueel positief advies niet in de weg zouden staan. Het vervolg van de procedure met provincies en gemeenten wees ook al in die richting. Het klinkt minimaal onlogisch dat tientallen ambtenaren op gemeentelijk, provinciaal en nationaal niveau vanaf 2004 bezig zijn geweest met de procedure om in 2008 ineens te horen dat de aanvraag destijds te laat zou zijn gestart. Bovendien staat in artikel 6 van de tijdelijke beleidsregel dat het overschrijden van de datum niet van toepassing is op objecten waarvan vóór 23 juli de aanwijzingsprocedure is gestart. Alle betrokkenen gingen er destijds vanuit dat de procedure startte toen de aanvragen bij de RDMZ binnen waren. Zelfs wanneer men er vanuit gaat dat de procedure pas start als de brieven naar de belanghebbenden en de Raad voor Cultuur worden verstuurd, stelt artikel 6.2.b dat de datum niet geldt als er voor genoemde datum het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat er aanwijzing zou plaatsvinden.

Wanneer het beleid zeer strict gevolgd zou zijn, dan had de minister binnen 10 maanden na het verzoek (artikel 3.6) beslist over de aanwijzing. De Stichting Grebbelinie heeft echter 3,5 jaar moeten wachten voor er een uitspraak kwam.

De Stichting Grebbelinie wordt gesteund in haar bezwaar door de Stichting Menno van Coehoorn en de Stuurgroep Grebbelinie, die gevormd wordt door twaalf gemeenten, Staatsbosbeheer, Waterschap Vallei & Eem en de provincies Utrecht en Gelderland.


Terug naar het nieuwsoverzicht